Sint Anna Aalmoeshuis
Schim
We schrijven het jaar 1492. De nabijgelegen parochiekerk Sint Pancras wil geen concurrentie in de buurt. Het kapelletje van het Sint Anna Aalmoeshuis mag dus niet worden voltooid. Toch wordt er elke zondag de mis gelezen, in het geheim, door een priester uit Utrecht. In onze tijd wordt zijn schim nog regelmatig door de bewoonsters van het hofje gezien. Hij is op zoek naar het misgewaad dat hij achterliet; een zorgvuldig bewaard relikwie in het museum.
Drieluik
Na 1530 werd boven het altaar een drieluik van de Vlaamse Schilder P. Coecke van Aelst (1502-1550) gehangen. Het nam de plaats in van een Vlaams wandtapijt dat vanaf 1492 de wanden had gesierd en waarvan twee fragmenten zijn bewaard gebleven.
Ontsnapt aan de beeldenstorm
Dankzij de verscholen ligging van het kapelletje is het altaar het enige altaar dat in de noordelijke Nederlanden aan de beeldenstorm is ontsnapt. Ook de inventaris werd niet verwoest. In 1571, na de reformatie, word het kapelletje aan de eredienst onttrokken. Er kwam niemand meer alles bleef zoals het was.
Atelier
Van 1588 tot 1604 nam een regent van het hofje het kapelletje en priesterhuis als schildersatelier in gebruik. Zeven van zijn schilderijen, alle met een bijbelse voorstelling, hangen er nog steeds aan de muur.
Trap des levens
In ruil voor een gratis verzorging, de begrafenis inbegrepen, moesten de bewoonsters al hun eigendommen aan het Sint Anna Aalmoeshuis overdragen. Een van die eigendommen is 'De Trap des Levens', een bijzonder charmant schilderij uit 1640 dat, volgens de erop geschilderde tekst, door Engeltge Roosiers, 'out twee ende tachtentig iaren', in 1654 'int sintannen hofien tot een gedachtenis' werd nagelaten.
Oudste glas
De gebrandschilderde ramen zijn bijna allemaal van vóór de beeldenstorm: de vier panelen met de wapenschildjes zijn samen zelfs het oudste (1492) gebrandschilderde glas van Nederland! De panelen met scènes uit het leven van Sint Anna zijn toegeschreven aan Aertgen van Leyden (1498-1564). De overige vensters zijn leeg, want op 12 januari 1807 toen Frankrijk ons land bezet hield - ontplofte er in Leiden een kruitschip. Een brokstuk van de mast vloog dwars door de ramen van het kapelletje en vernielde 17 van de 28 panelen. Dat stuk mast is natuurlijk bewaard gebleven en te bewonderen in het museum.